Financiële begroting op hoofdlijnen

De financiële begroting van de gemeente Gorinchem wordt in dit hoofdstuk op hoofdlijnen uiteengezet. Dit gebeurt aan de hand van de ontwikkeling van het begrotingssaldo, enkele indicatoren, de algemene reserve en de ontwikkeling van de balans.

Verloop van het begrotingssaldo
Het vertrekpunt voor het financieel meerjarenperspectief van de Begroting 2021 is het door de gemeenteraad vastgestelde perspectief bij de Begroting 2020. Bijstellingen van dit perspectief worden maandelijks in de raadsvergaderingen aan de gemeenteraad ter besluitvorming voorgelegd. Het (bijgestelde) perspectief van de maand mei vormde de basis voor de Perspectiefnota 2021-2024. Na de besluitvorming over de perspectiefnota toonden de verschillende jaren een negatief saldo, met uitzondering van het jaar 2022, waar sprake was van een klein overschot. Overigens wat het saldo slechts negatief omdat het besluitvormingsmoment over de inzet van de IBP-middelen (daarna is er in alle jaren een positief begrotingssaldo) uitgesteld is tot de tweede perspectiefnota. Dit is besloten omdat de uitkomsten van de septembercirculaire bepalend konden zijn voor het al dan niet ingrijpend wijzigen van het financiële perspectief voor de gemeente. Met de inzichten van toen was het nog ongewis of het Rijk ervoor zou kiezen om de effecten van de coronacrisis op de economie en overheidsfinanciën door te vertalen naar de gemeentefondsuitkering.

In de septembercirculaire werd duidelijk dat het Rijk ervoor gekozen heeft om de gemeentefondsmiddelen niet bij te stellen. Deze maatregel is getroffen om gemeenten, in deze toch al zo moeilijke tijd, niet vlak voor de begrotingsdeadline te stellen voor een groot financieel tekort. De marginale bijstellingen die wel werden doorgevoerd waren uitsluitend technisch van aard. Met dit nagenoeg ongewijzigde perspectief is vervolgens de tweede perspectiefnota opgesteld. Een beperkte positieve bijstelling vanuit de Tussentijdse Rapportage 2020 is hierin ook meegenomen.

Met dit bijgestelde perspectief is de begroting vervolgens opgesteld (zie volgende pagina).

Het financiële meerjarenperspectief ziet er als volgt uit:

Begrotingssaldo (bedragen in € x 1.000;
- = nadeel)

2021

2022

2023

2024

Saldo primitieve begroting 2021-2024 in begroting 2020

-439

-317

113

68

Diverse raadsbesluiten (na raad mei 2020)

1.113

1.258

1.061

1.101

Saldo voor Perspectiefnota-I 2021-2024

674

941

1.174

1.169

Besluitvorming Perspectiefnota

-1.490

-653

-1.243

-1.705

Saldo na Perspectiefnota-I 2021-2024

-816

288

-69

-536

Turap 2020

269

35

46

53

Saldo na Turap 2020

-547

323

-23

-484

Diverse (technische) bijstellingen begroting

-108

-189

33

172

Meerjarig begrotingssaldo, verwerkt in begroting*

-655

134

9

-312

Voorstellen in Perspectiefnota-II

Rentebesparing (Eneco-middelen) (1)

200

Ruimtevragers (2)

-434

-133

-133

-108

Effecten septembercirculaire gemeentefonds (3)

164

-202

-79

82

Inzet IBP-middelen (4)

1.045

1.165

1.083

1.083

Meerjarig saldo na Perspectiefnota-II

320

964

880

745

*De cijfers die u verder in het programmaplan en de financiële begroting ziet, zijn gebaseerd op het perspectief zoals hier gepresenteerd. Omdat de besluitvorming over PPN-II inclusief septembercirculaire plaatsvindt tijdens de begrotingsraad, zijn de financiële effecten daarvan nog niet meegenomen.

Met de voorstellen uit Perspectiefnota-II en de inzet van de IBP-middelen als dekking is er sprake van een positief begrotingssaldo in alle jaren.

Toelichting voorstellen in Perspectiefnota-II
1. In de Perspectiefnota 2020-2023 is aangegeven dat met € 1,5 mln. uit de ontvangen Eneco-middelen een rentebesparing kon worden gerealiseerd van € 0,2 mln. Uit voorzichtigheid is die besparing toen begroot vanaf 2022. Inmiddels heeft de verkoop van de Eneco-aandelen plaatsgevonden en heeft de herfinanciering van enkele leningen plaatsgevonden. De besparing van € 0,2 mln. wordt dus ook in 2021 gerealiseerd.

2. In de PPN-II bedragen de ruimtevragers in 2021 ca. € 0,4 mln. De jaren daarna is dit ca. € 0,1 mln. Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt verwezen naar Perspectiefnota-II (PPN-II).

3. Op 15 september jl. is de septembercirculaire van het gemeentefonds verschenen. De wijzigingen die uit deze circulaire naar voren komen, zijn technisch van aard. Het Rijk heeft ervoor gekozen om de (mogelijke) effecten van de coronacrisis (nog) niet te vertalen naar het gemeentefonds.

4. Van de in 2018 beschikbaar gestelde structurele IBP-middelen, was ca. 2/3 ingezet in de begroting 2019, te weten 1/3 voor loon- en prijsontwikkelingen en 1/3 voor het Sociaal Domein. In PPN-II wordt voorgesteld het restant structureel in te zetten in de begroting. De grondslag hiervoor ligt in het feit dat we in de afgelopen jaren op diverse beleidsterreinen, binnen de kaders van het IBP, hebben geïntensiveerd. Maar deze intensiveringen zijn betaald vanuit de algemene middelen. Dat maakt dat het verantwoord is om de IBP-middelen nu aan de algemene middelen toe te voegen, conform de inzet in PPN-I en II. Daardoor ontstaat er een structureel positief begrotingssaldo. Na deze inzet resteren er geen IBP-middelen meer.

Prognose gemeentefonds bij septembercirculaire

Zoals in PPN-II aangegeven is er in de septembercirculaire duidelijk geworden dat de accresontwikkeling van het gemeentefonds uit de meicirculaire door het Rijk iets te positief is ingeschat. Omdat er bij de septembercirculaire besloten is door het Rijk om deze accresontwikkeling niet aan te passen, is dit dus niet meegenomen in het meerjarenperspectief zoals hierboven geschetst. Tegelijk is het zeer realistisch dat deze bijstelling alsnog in de meicirculaire van 2021 zal worden doorgevoerd. Het verdient daarom de voorkeur om hier nu reeds rekening mee te houden. Daarom wordt voorgesteld om het saldo van de begroting te verlagen met dit bedrag en bij de meicirculaire 2021 de definitieve bijstelling van het accres te verwerken. Dit zorgt voor een realistischer meerjarenbeeld wat het financiële uitgangspunt vormt voor toekomstige besluitvorming. Het begrotingssaldo ziet er met deze ontwikkeling als volgt uit:

Begrotingssaldo (bedragen in € x 1.000; - = nadeel)

2021

2022

2023

2024

Meerjarig saldo na Perspectiefnota-II

320

964

880

745

Prognose septembercirculaire gemeentefonds

-203

-442

-563

Actueel begrotingssaldo o.b.v. prognose gf.

320

761

438

182

Bovenstaande ontwikkelingen (PPN-II en septembercirculaire) zijn niet verwerkt in de cijfers van de begroting. Als deze cijfers verwerkt zouden worden, dan veranderen vanzelfsprekend alle financiële kengetallen, zoals de schuldquote, solvabiliteit, weerstandsratio en het begrotingsevenwicht. De conclusie die hierover getrokken is in de begroting, verandert echter niet, behalve voor de indicatoren begrotingsevenwicht en weerstandsvermogen. Daar verandert de conclusie wel degelijk. Daarom wordt op beide kengetallen nader ingegaan en aangegeven wat de conclusie was geweest als bovenstaande ontwikkelingen wel in de begroting waren opgenomen.

Conclusie voor structureel begrotingsevenwicht

Een van de belangrijkste financiële kengetallen is het structureel begrotingsevenwicht. Dit is het begrotingssaldo na eliminatie van alle incidentele lasten en baten. Daaruit blijkt of de structurele lasten gedekt kunnen worden uit de structurele baten, een belangrijke indicator voor de financiële gezondheid van de gemeente. In de cijfers van het hoofdstuk Weerstandsvermogen en risicobeheersing zijn de effecten van PPN-II en de septembercirculaire niet meegenomen. Als we die wel meenemen, dan ziet het structureel evenwicht er als volgt uit:

Structureel evenwicht (bedragen x € 1.000)

2021

2022

2023

2024

Saldo structurele baten en lasten

366

488

442

185

-/- = structureel tekort + = structureel overschot

Hieruit blijkt dat er in alle jaren sprake is van een structureel overschot. Hierbij merken we nog wel het volgende op; De rijksbijdrage voor jeugdzorg (landelijk € 300 mln., Gorinchem € 0,7 mln.) was voor de jaren 2019, 2020 en 2021 toegekend. In de onlangs verschenen septembercirculaire is aangekondigd dat er ook voor 2022 incidenteel extra middelen komen. De keuze om deze extra bijdrage ook voor de jaren daarna beschikbaar te stellen, wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Daarmee is deze bijdrage in onze ogen incidenteel van aard, maar volgens de formele richtlijnen wordt hij nu reeds als een structurele baat bestempeld. In bovengenoemde cijfers is de bijdrage alleen in 2021 meegenomen, het besluit over 2022 maakt onderdeel uit van het raadsvoorstel dat in november aan de gemeenteraad wordt voorgelegd over de geoormerkte budgetten uit de septembercirculaire.

Dit perspectief biedt een goede uitgangspositie voor de komende jaren. Het is in de huidige tijd voor veel gemeenten een uitdaging om meerjarig positieve cijfers te presenteren. Daarbij zien we de landelijke tendens dat steeds minder gemeenten uitkomen met de rijksmiddelen voor het sociaal domein. We zijn van mening dat de jeugdmiddelen die nu nog incidenteel beschikbaar zijn, structureel gemaakt zouden moeten worden om de oplopende kosten van jeugdzorg te compenseren. Maar ook in de andere onderdelen van het sociaal domein merken we een oplopende druk op de begroting en ontbreekt het aan compensatie vanuit het Rijk. Deze ontwikkeling voert de druk op onze begroting op. Hierover wordt vanuit diverse gremia actie ondernomen richting het Rijk.

De positieve maar beperkte overschotten zullen, met het oog op de ontwikkelingen in het sociaal domein, de financiële effecten van de coronacrisis en een herverdeling van het gemeentefonds, de komende jaren hard nodig zijn.

Weerstandsvermogen
Het risicoprofiel van onze gemeente is geactualiseerd, conform de uitgangspunten die in de nota reserves, voorzieningen en weerstandsvermogen door de gemeenteraad op 5 oktober 2017 zijn vastgesteld. In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing vindt u een toelichting hierop. De geactualiseerde weerstandsratio, inclusief de risico-inschatting voortkomend uit "de 42 coronarisico's", komt uit op 1,21. Hiermee komt de weerstandsratio buiten de door de raad vastgestelde bandbreedte van 1,4 en 2,0. Het totaal onverwacht ontstaan van de coronacrisis maakt dat er een substantiële toename is van financiële risico's. Ondanks deze toename van de risico's is de ratio niet zorgwekkend. De ratio wordt overigens nog beïnvloed door de bijstellingen vanuit de PPN-II en de septembercirculaire, door de bijstelling van het begrotingssaldo. Daarnaast zal aan het einde van het jaar het begrotingssaldo 2020 (zoals hieronder gepresenteerd) worden toegevoegd aan de algemene reserve. Op basis van deze beide ontwikkelingen zal de ratio weer richting de 1,4 gaan. Hij komt dan uit op 1,38. Indien bij de jaarrekening 2020 blijkt dat we onder de 1,4 uitkomen, dan zal er bij de volgende perspectiefnota een voorstel worden voorgelegd om het weerstandsvermogen te versterken.

Verloop algemene reserve
Het begrotingssaldo 2020 zal aan het einde van het jaar worden toegevoegd aan de algemene reserve. Op basis van de huidige inzichten zal dit saldo ongeveer € 1 mln. zijn (inclusief de bijstelling die volgt uit de Turap 2020). In onderstaand overzicht wordt dit schematisch weergegeven.

Ontwikkeling algemene reserve (- = onttrekking, + = toevoeging, bedragen x € 1.000)

2020

2021

2022

2023

2024

Stand Algemene Reserve begin boekjaar

26.780

26.476

26.175

26.175

26.175

Bij/Af: Begroting 2019

-139

-81

Bij: resultaatbestemming jaarrekening 2019

-1.094

Af: IHP Gorinchem -Oost (PPN 2018)

-140

Af: Uitvoering sportvisie (PPN 2018)

-80

-80

Bij: begrotingssaldo 2020 volgens Turap 2020

1.009

Stand Algemene Reserve ultimo boekjaar

26.476

26.175

26.175

26.175

26.175

Balansverloop op hoofdlijnen
In onderstaand overzicht is het meerjarig verloop van de activa, reserves, voorzieningen en leningen opgenomen, om een globaal beeld te schetsen van de financiële (balans)ontwikkelingen.

Ontwikkeling balansposten (stand 1-1, bedragen in € x 1.000)

2021

2022

2023

2024

Materiële vaste activa

177.125

198.386

213.267

223.576

Reserves

75.323

74.646

74.493

74.735

Voorzieningen

16.552

17.852

19.351

21.822

Vaste schulden

124.335

141.240

161.140

175.089

Het verloop van de activa is de resultante van nieuwe investeringen en afschrijvingen op reeds gedane investeringen. In 2022 nemen de activa aanzienlijk toe, de beoogde investeringen m.b.t. mobiliteit en de beroepencampus zijn hiervoor een belangrijke oorzaak. In ieder programma van de beleidsbegroting is een overzicht opgenomen met de nieuwe investeringen voor 2021. Omdat de investeringen gefinancierd moeten worden, vertoont ook het schuldenniveau een toename. Zoals in de Perspectiefnota 2021-2024 aangegeven zal het effect van de ingezette lijn om schulden te reduceren pas na 2025 zichtbare effecten opleveren. De omvang van de reserves blijft de komende jaren ongeveer gelijk, de toename in de voorzieningen zit vooral in de onderhouds- en vervangingsvoorzieningen, waarin gespaard wordt voor toekomstige uitgaven.

Autorisatieniveau
Het autorisatieniveau, te weten het niveau waarop de raad de baten en lasten goedkeurt en financiële middelen beschikbaar stelt aan het college om het beleid uit de begroting uit te voeren, is het programmaniveau. Dit is in overeenstemming met art. 5.1 van de Financiële verordening. Informatieverstrekking vindt plaats op taakveldniveau, dus een detailniveau lager dan het programma. Ook voor de investeringen geldt het autorisatieniveau per programma. Overeenkomstig art. 5.4 van de Financiële verordening kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringsbudget wil ontvangen.